Er was ooit een meisje dat van mij hield, maar dat is lang geleden. Het hield me ook niet nuchter en uiteindelijk heeft ze voor zichzelf moeten kiezen. Als er iemand geleden heeft onder wat ik geworden was, is zij het. Eigenlijk had ze veel eerder moeten gaan, maar zoals ik zei: er was ooit een meisje dat van mij hield.
Ik heb haar jaren niet gesproken, maar vandaag komt ze wat spullen ophalen. Spullen waarvan ik ooit heb gezegd dat ik ze weg had gegooid. Dat soort leugens vertel ik als ik drink – om afstand te creëren en om te kwetsen. Het gaat om simpele zaken als een platenspeler en een kaptafel, maar ook om persoonlijke bezittingen als familiesieraden en aantekeningenboekjes van haar grootvader.
Ik ben vroeg wakker en krijg geen hap door mijn keel. Alles wat van haar is, staat verzameld in de woonkamer. Ooit was dit onze woonkamer en er was een tijd dat we hier gelukkig waren. Een hoopvolle tijd waarin ze lachend wakker werd, we gingen samenwonen en droomden van een toekomst. Dat paradijs is lang verloren, want met mij ging het onherroepelijk bergafwaarts. ‘Er is iets wat je me niet vertelt’, zei ze eens midden in de nacht met bevende stem. In het donker heb ik toen geknikt, mezelf van haar weggedraaid en mijn ogen gesloten.
Ik sloot me sowieso steeds verder af en was vaak afwezig. Flessen verdwenen onverklaarbaar en leugens werden ridiculer. Nuchter was ik chagrijnig en dronken licht ontvlambaar. Ruzies werden heviger en grenzen van het toelaatbare vervaagden. En in al haar vergevingsgezindheid bleef ze trekken aan dit dode paard. Toen ze uiteindelijk ging, was ik gebroken: ze betekende – ondanks alles – alles voor me. Het was onversneden liefdesverdriet, maar zelfs die oprechte emotie werd gecorrumpeerd door verslaving.
De breuk bracht namelijk ook mogelijkheden: zuip je omdat het kapot is, of is het kapot omdat je zuipt? Niemand wist het antwoord met zekerheid en ik speelde graag de rol van verlaten romanticus – een rol die dus maar deels gespeeld was. Dit opportunisme komt uit het ruggenmerg als een schopreflex: alles om de verslaving te beschermen. Als ik eerlijk ben, weet ik niet meer welk gevoel de overhand had: de pijn van haar vertrek of de opluchting dat ik ongestoord kon drinken. Het is een trieste eindbalans. Wat valt er nog te bezingen als ook liefde compleet ondergeschikt blijkt aan de fles?
Ze kan nu ieder moment aan de deur staan en ik ben kotsmisselijk. Ik wil of verwacht trouwens niets meer van haar, mochten daar vragen over zijn. Das war einmal. Ik heb haar genoeg pijn gedaan voor een mensenleven en er is waarschijnlijk niet genoeg water in de zee om het schuldgevoel weg te wassen. Wel spookt ze nog door mijn dromen: dan kan ik de walging in haar stem de dag dat ze vertrok weer horen. Walging en verdriet – terwijl ik onaanspreekbaar tegen de vloer lag. Zij staat voor alles wat mooi en goed is op deze wereld en ik kapot maak als ik de kans krijg. En wat dan achterblijft is spijt.
Vandaag mag ik excuses maken. Gelukkig komt haar vriend mee. Waarschijnlijk deels om te tillen en deels voor haar gevoel van veiligheid. Voor mij vervult hij nog een derde rol: die van getuige van mijn goede bedoelingen. Bij binnenkomst durf ik haar nauwelijks aan te kijken. Haar bruine ogen staan wantrouwend – ze is op haar hoede voor een valstrik. Als ik beweer dat ze ooit veel voor me betekend heeft, mag ik daar nu naar handelen. Dan mag ik nu oprecht zeggen dat het me spijt. Dan mag ik zitten en luisteren naar wat zij te zeggen heeft en – als daar behoefte aan is – te doen wat binnen mijn macht ligt om het goed te maken.
Omdat dit het juiste is om te doen.
Omdat de tijd van boetedoening is gekomen.
Omdat het mij zal helpen nuchter te blijven.
Maar vooral omdat ze een meisje is dat ooit van mij hield.