Breda is een stad met zelfvertrouwen. Het bezit een moeiteloze elegantie die door modeontwerpers sprezzatura wordt genoemd. Het is het soort zelfvertrouwen dat je krijgt van de ligging van een kasteel in de binnenstad en historische banden met het Huis Oranje-Nassau. Noem het adellijk zelfvertrouwen – en daarvan kan ik vandaag wel wat gebruiken.
Ik ben door een vriend gevraagd te spreken op een bijeenkomst voor verslaafden. Daar kom ik ‘hoop, moed en vertrouwen’ delen, lees ik in de communicatie. Hoop en moed kan ik niet beloven, maar een half uur vol praten moet lukken. Met gepaste tegenzin ben ik onderweg om volstrekte vreemden te vertellen over het verloop van mijn verslaving. Ik heb besloten niet te veel voor te bereiden. Ik was er zelf bij, toch? Bovendien wil ik dit soort zaken op intuïtie doen. Dat lijkt een gezonde omgang met een ongezonde geschiedenis. Hier moet het ergens zijn: in een zijstraat van Park Valkenberg.
In mijn studententijd kwam ik hier vaak, maar dat is lang geleden. Ik was een andere man. Ik herinner me een nacht die ik met een huisgenoot moest doorbrengen aan het water in dit park. We hadden onze slaapplek verspeeld ergens tussen kroeg en afterparty. Doorgesnoven en met een gestolen sixpack zwaar bier wachtten we op de eerste trein die ons naar huis zou brengen – hardnekkig volhardend in de misvatting dat we bohemen waren. De herinnering roept schaamte op. Bij het opkomen van de zon had het Nassau-Baroniemonument spottend staan schitteren en keken passerende forenzen ons afkeurend aan.
De locatie is groter dan ik me had voorgesteld. Een galmende kelder onder een monumentaal pand. Hier kun je je niet verstoppen. Dit is niet een plek waar je ongestraft kunt stotteren. Ook de groep is groter dan verwacht. Mannen met hippe kapsels lachen uitbundig om elkaars grappen. Vrouwen zijn zonder uitzondering smaakvol gekleed. Over sprezzatura gesproken. Het Brabants hier lijkt veel op Zuid-Hollands in uitspraak en volume. Ik voel mezelf klein. Had ik me beter moeten voorbereiden?
Misschien wel, want het gaat allemaal niet zoals gehoopt: waar ik me had voorgenomen eerlijk en kwetsbaar te zijn, ben ik vooral bezig de lachers op mijn hand te krijgen. Een noodgreep uit ongemak. Het wordt een verhaal over een geprivilegieerde jeugd en een ondanks het buitensporige drankgebruik onbezonnen adolescentie. Een verhaal over afgeraffelde studies en vluchtige vriendinnetjes. Uitbundige kroeg-anekdotes wissel ik af met hoogdravende literaire bespiegelingen. Misschien heb ik Goethe geciteerd. In het Duits. Wat een pretentie. Inhoudelijk is het allemaal niet gelogen, maar met de waarheid heeft het weinig te maken.
Achteraf voel ik me dom. Niemand van de aanwezigen spreekt het hardop uit – daarvoor zijn ze te welgemanierd – maar dat ik ben tegengevallen valt van de gezichten te lezen. Ik verzin een smoes omtrent de vertrektijden van de trein en verdwijn stilletjes in de nacht. Het stupide gevoel blijft zeuren.
Via het Valkenberg dool ik richting het station. In het halfduister ligt het Baroniemonument er statig bij. Ik zucht diep. Had ik maar een kasteel om me in terug te trekken of prinselijke titels als garantie. Mijn intentie was goed, maar de uitvoering verdient niet de schoonheidsprijs. Als burgerjongen heb ik me laten afbluffen door al dat zelfvertrouwen. En dan slaat intuïtief vertelgemak blijkbaar snel door naar grootspraak en bravado – net als vroeger eigenlijk.
Heeft de Parel van het Zuiden me toch weer te pakken gehad.